'De diepte'

 

Door pijnen geveld en geleden,

zag mijn hart weer licht, vanuit de diepte daar beneden.

Opstaan kon ik niet omdat ik gebroken was,

mijn verdriet trok mij omlaag, bij elke pas.

 

Vanuit die diepte kon ik niet meer zien,

wie ik was en wilde worden misschien.

Het licht was gedoofd en ik had plak onder mijn schoenen,

vastgeklemd was ik slaafs deze diepe grond aan het boenen.

 

Het licht ver boven mij was onbereikbaar,

mijn kracht was uit mij gezogen als een parasiet, mijn eigen 'zelf' was onbruikbaar.

Duisternis velde mijn hart en ziel zo diep en machteloos,

ik kon blijven vechten, maar mijn schip was volkomen stuurloos.

 

Ik durfde niets, want als ik zou zeggen wie ik was, kreeg ik slaag,

ze velde mij allemaal en hun stemmen deden pijn in mijn hoofd, mijn bestaan in elke laag.

Ik kon niet meer opstaan van pijn en ook woede nam ik aan,

ze namen mij over, mijn leven en mijn bestaan.

Het licht boven aan zag ik wel, als ze mij even toestonden om te kijken,

maar ik achtte het onmogelijk om zo'n hoog doel te bereiken.

 

Toen op een dag dat licht helderder werd, omdat ik een ontsnapping achtte te maken,

kwamen ze erachter, ze pakte me en ze leken mij nog dieper te raken.

Ik heb gesmeekt; 'Nee nu geen slaag', smeekte ik zo luid ik kon,

maar het gaf niks, ik was hun bron. 

Ze legde mij uit dat ik niet kon gaan,

omdat zij dan niet meer konden leven, ik redde hun bestaan.

Hun baas liet ze over mij waken zodat ik hier wel leven moest,

ik zat volkomen vastgeroest.

 

Deze slaafsheid duurde langer voort, maar na de eerste poging leek het iets in mij aan te wakkeren,

iets nieuws wat ik niet kende, niet negeren kon.

Het licht verscheen zelfs aan mij met nieuwe woorden, met inzicht en een gevoel wat ik nu eenmaal moeilijk kan verwoorden.

 

Jaren werden eeuwen en meerdere levens zat ik vast,

deze kooi geketend, heeft voor mij nooit een pauze ingelast.

Het licht bleef mij roepen, in een zekere nieuwsgierigheid,

ik wist dat ik iets anders moest proberen, een zekere bereidheid.

De duisternis afsmeken had geen enkele zin,

mijn werk kende geen einde, herinner me ook geen echt begin.

Ergens zou ik moeten doorbreken, misschien met een spreuk ofzo?

Maar dat was te opvallend geleken, maar een strijdplan moest voldoende zijn,

al had het vechten ook geen zin, dat bezorgde mij alleen maar nog meer pijn.

 

Ik moest mijn ziel zien te redden, een weg om dat licht te bereiken,

een manier om omhoog te komen, zonder dit aan mijn bewakers duidelijk te laten blijken.

Het zou niet makkelijk zijn, maar ontsnappen was mijn enige hoop,

tot op een nacht mij een ontzettend duidelijk gevoel bekroop.

 

Ik zou dit pad nooit met een menselijke ladder bereiken en zeker niet zo hoog vrij komen,

als ik hier bleef zitten met wensen, maar niets deed met mijn ware dromen.

Dus ik besloot om elke nacht mijn plan te omlijsten,

in mijn gedachten zag ik alles voor me, hoe engelen mij naar de nieuwe hemel prijsde.

 

Ze gaven mij liefde, hoop en veel meer kracht dan ik ooit gewend was,

ze gaven mij ingevingen, inzichten en langzaam kwam ik in mijn sas.

Vrolijker begon ik mijn slaafse werk weer te verrichten en tijdens het werk,

gaf het licht mij nieuwe dingen en maakte mij ontzettend sterk.

 

Ik begon ineens te begrijpen wat de bedoeling was van deze diepe duistere wegen in mijn leven,

de pijn die het deed, die duurde nagenoeg maar heel even.

Ook al was het eeuwen oud en uit een totaal nieuw hout gesneden,

in de duisternis kon ik het licht pas zien, dat kon alleen maar daar beneden.

Naarmate mijn realisatie en vertrouwen groeide nam mijn levenslust toe,

ik begon minder pijn te voelen en ik merkte het opeens op; 'Hey, ik zweef gewoon naar boven toe!'

 

Ik begon ook  te begrijpen wat ze met echte duisternis bedoelen,

ik begon te zien vanwaar dat licht mij roepen bleef.

Ik leek steeds lichter te worden en realiseerde me, 'ik leef'.

 

De dood had mij aangekeken, ook vaker angst aangejaagd daar zo diep beneden,

en na de eerste ervaring ben ik ook eerst meermaals weer terug omlaag gegleden.

Maar ik gaf nooit op, ook al zagen ze dat ik bezig was met ontsnappen,

ze hebben mij veel tegen gehouden, maar verblind door al het licht leek het duister om me heen volledig te klappen.

 

Mijn vlucht leidde uiteindelijk tot een nieuw weerzien, waarin ik alle gaten nog kon herstellen,

maar die bevrijding was het allerbelangrijkste, waardoor ik dit verhaal nu kan vertellen.

In die diepe duistere grotten waarin we soms met onszelf leven,

vragen van ons om je volledig over te geven.

 

Diepte en pijn, verdriet en lijden gaan altijd over,

wanneer we het toestaan, anders zijn we onze eigen rover.

Rover van ons eigen geluk en vrijheid,

energie, leven en blijheid.

 

Eenmaal boven bij het licht aangekomen,

merkte ik ook op dat ik in een land was, waar ik al die tijd van had lopen dromen.

Ook had ik ineens vleugels op mijn rug,

ik wist dat ik voor altijd vrij zou zijn, naar die diepte, nee daar hoef ik nu nooit meer naartoe terug.

 

Copyright

24-11-18

 

Meer gedichten van mij lezen?

Kijk op deze pagina